Het artikel dat u hieronder kunt lezen is het eerste deel van een reeks van zes samenvattingen voor het hoofdstuk “Individualism” van een boek dat ik binnenkort publiceer.

Een zeer uitgebreide beschrijving van de politiekbewuste individueel komt van de hand van de veelzijdige filosoof en historicus Bertrand Russel in een zesweekse serie radiolezingen voor de BBC die begonnen op Tweede kerstdag, 1948. Russell, Nobelprijswinnaar (literatuur, 1950) en door velen geprezen als de Voltaire van de 20ste eeuw, was een van de grootste denkers van de 20ste eeuw waar hij grote invloed had op de gebieden van logica, wiskunde, taalkunde en filosofie. Als de inaugurele spreker in de jaarlijkse reeks Reith radiolezingen van de Engelse BBC behandeld Russell in zijn serie lezingen onder de verzamelnaam Authority and the Individual uiteenlopende onderwerpen zoals de formatie en doel van de gemeenschap, de aard en het functioneren van rechtvaardigheid, enzovoorts. Russells zestal lezingen behandel ik in dit hoofdstuk:

  1. Sociale Cohesie en het Aard van de Mens (Social Cohesion and Human Nature)
  2. Sociale Cohesie en de Overheid (Social Cohesion and Government)
  3. De Rol van de Individualiteit (The Role of Individuality)
  4. Het Conflict van de Werkwijze en de Aard van de Mens (The Conflict of Technique and Human Nature)
  5. Bestuur en Initiatief: De Respectievelijke Sferen (Control and Initiative: their Respective Spheres)
  6. Individueel en Sociale Ethiek (Individual and Social Ethics)

Het fundamentele probleem dat Russell voorstelde in overweging te nemen was het volgende: hoe kunnen wij de mate van individueel initiatief –dat nodig is voor vooruitgang- combineren met de mate van sociale cohesie dat nodig is voor overleving. In mijn samenvatting heb  ik getracht de kern van Russels boodschap te behouden, en alhoewel het bijna onmogelijk is om het Engelse taalgebruik (nota bene van een 19de/20ste eeuwse aristocraat) een-op-een in het Nederlands te vertalen, heb ik de lading proberen te dekken door soortgelijke of relevante Nederlandse termen en woorden te gebruiken.

  1. 1. Sociale Cohesie en de Aard van de Mens (Social Cohesion and Human Nature)

In deze lezing vangt Russell aan met een beschrijving van de impulsen van de menselijke aard die sociale samenwerking mogelijk maken. Bij alle dieren, waaronder ook de mens, heeft samenwerking en de eenheid van een groep enige basis in het instinct. In tegenstelling tot mieren en bijen die een zeer sociaal –vanwege het groepsverband waarin zij opereren- doch mechanisch, precies en statisch leven leiden is de mens bereidwillig dat het leven een element van turbulentie heeft als zij daardoor aan evolutionele stagnatie kan ontkomen. Het is duidelijk, volgens Russell die hier de vindingen van de Schotse anatomist en antropoloog Arthur Keith aanhaalt, dat onze vroegere en amper menselijke voorouders niet gehandeld  kunnen hebben op een doordachte en opzettelijke wijze; dat zij aangespoord moeten zijn geweest door een instinctieve mechanisme- het tweeledige mechanisme van vriendschap binnen de stam en vijandigheid jegens alle anderen. Omdat de primitieve stam zo klein was, kende ieder individueel elk ander individueel erg goed waardoor een vriendelijk sentiment gecombineerd met kennisschap bestond. De sterkste en meest instinctievelijk overtuigende van alle sociale groepen was, en is nog steeds, de familie, die door de aard van de lengte van de kindertijd een noodzaak was. De taakverdeling was dat de vrouwen zich over de kinderen ontfermden en de mannen op jacht gingen. In stamverband was jagen efficiënter en de cohesie van de stam zal versterkt en verder ontwikkeld zijn door conflicten met andere stammen. In de honderdduizenden jaren waarin de biologische ontwikkeling van de mens stabiel is gebleven is zij vooruitgegaan in kennis, in verworven vaardigheden, en in sociale organisatie, maar niet, zoals Russell constateert, in aangeboren intellectueel capaciteit. Het is verondersteld dat ons aangeboren mentale gereedschap, in tegenstelling tot wat we leren, niet zo verschillend is van dat van de paleolithische mens. Het lijkt alsof wij nog steeds de instincten hebben die de mens –voordat haar gedrag weloverwogen werd- leidde tot het leven in kleine stammen, met een scherpe tegenstelling van interne vriendschap en externe vijandigheid.

Sociale cohesie, dat startte met loyaliteit aan een bepaald groep, versterkt door de vrees voor vijanden, groeide door deels natuurlijke- en deels opzettelijke processen totdat het de conglomeraten reikte die wij nu kennen als naties, waar verschillende krachten aan bijdroegen. Loyaliteit tot een groep moest worden bekrachtigd door loyaliteit aan een leider. In een grote stam is het opperhoofd of de koning bekend bij iedereen, zelfs als individuen onderling bekenden zijn. Oorlogen, die oorspronkelijk oorlogen van uitroeiing waren, werden geleidelijk oorlogen van veroveringen; de overwonnenen werden tot slavernij gedwongen in plaats van ter dood gebracht en gedwongen om te werken voor de veroveraars. Hierdoor ontstonden twee soorten mensen binnen een vrije gemeenschap: de oorspronkelijke lieden die de bewaarders van de stamgeest waren, en de onderdanen die gehoorzaamden uit vrees – niet uit instinctieve loyaliteit. In een later stadium in de ontwikkeling van de beschaving ontstond een nieuw soort loyaliteit, gebaseerd niet op de territoriale affiniteit of gelijkenis van ras, maar op overtuigingsidentiteit.

Overtuigingsidentiteit is geleidelijk aan een steeds sterkere macht geworden. Haar militaire kracht bleek eerst bij de Islam in de veroveringen in de zevende en achtste eeuw. Het leverde de aanzet tot de kruistochten en in de religieoorlogen. In de zestiende eeuw wogen theologische loyaliteiten zwaarder dan de nationaliteit: Engelse Katholieken waren loyaal aan Spanje, en de Franse Hugenoten aan Engeland. Moderne loyaliteit aan de vele hedendaagse groepen maakt nog steeds gebruik van de oude psychologische mechanisme dat evolueerde in de dagen van de kleine stammen. Aangeboren menselijk aard, in tegenstelling tot wat er van wordt gemaakt door scholen en religiën, door propaganda en economische organisaties, is niet veel veranderd sinds de tijd waarin men voor het eerst normale hersenen kreeg. Instinctief verdelen wij de mensheid in onder vrienden en vijanden – vrienden waarvoor wij de moraliteit van medewerking hebben; vijanden waartegen we de moraliteit van concurrentie hebben. Maar deze scheiding veranderd constant, bijvoorbeeld als er een gezamenlijke externe dreiging is. Zodra we de grenzen van de familie passeren is het de externe vijand die de cohesieve kracht levert. Religie, moraliteit, economische eigenbelang, het najagen van biologische overleving; allemaal leveren ze onbeantwoordbare argumenten aan onze intelligentie ten voordele van wereldwijde samenwerking, maar de oude instincten die wij hebben van onze stamtijdvoorvaderen rijzen in onze verontwaardiging. Het leven verliest zijn smaak als er niemand is om te haten.

Psychoanalyse, alhoewel het zijn overdrijvingen en zelfs absurditeiten heeft, leerde ons veel dat waar en waardevol is. Een leven dat buitensporig tegen de natuurlijke impulsen in gaat zou waarschijnlijk spanningen opleveren die net zo slecht kunnen zijn als het zou zijn bij toegeven aan verboden impulsen. Mensen die een onnatuurlijk leven leiden zijn waarschijnlijk gevuld met afgunst, kwaadaardigheid en onliefdadig. Zij kunnen wreedheid ontwikkelen, en anderzijds kunnen zij alle vreugde van het leven verliezen.

Russell vervolgt met zijn gedachte dat normale mensen niet gelukkig kunnen zijn zonder competitie omdat wedijveren sinds het ontstaan van de mens de prikkeling was voor de meeste serieuze activiteiten. Primitieve competitie was een conflict betreffende de moord van de andere man en zijn vrouw en kinderen. Moderne competitie in de zin van oorlog neemt nog steeds deze vorm aan, maar in sport, literaire en kunst rivaliteit, en in constitutionele politiek neemt het vormen aan die weinig of geen schade berokkenen en toch een adequate uitlaat bied voor onze strijdlustige instincten. Voorts refereert Russell naar enkele eigenschappen van de menselijke psychologie die hem voor het eerst opvielen in 1914. Hij stelt dat veel mensen gelukkiger zijn in oorlogstijd dan tijdens vredestijd als het directe lijden door de oorlog niet te zwaar op hen persoonlijk valt. Een rustig leven kan een saai leven zijn. Vergeleken met het leven van 400.000 jaar geleden is het huidige leven onavontuurlijk. Maar de wetenschappelijke vooruitgang heeft nu zulke machtige middelen gebracht om onze vernietigende instincten te bevredigen dat het geen enkele evolutionaire vooruitgang dient om ze de vrije hand te geven. Vanuit de puur biologische standpunt bekeken  is het spijtig dat de vernietigende zijde van onze kennis veel sneller is gevorderd dan de creatieve zijde. In een ogenblik kan een man 500.000 mensen doden, maar hij kan niet sneller kinderen krijgen dan in de dagen van onze wilde voorvaderen.

Ieder energetisch mens wil iets dat kan gelden als glorie. Er zijn sommigen die dat krijgen: filmsterren, beroemde atleten, militaire commandanten, en zelfs een aantal politici, maar zij zijn een kleine minderheid. De rest is overgelaten tot dagdromen, dagdromen van ingebeelde macht. Wellicht is het mogelijk, zelfs in ons mechanische wereld, om enkele echte uitlaatkleppen te vinden voor de impulsen die nu beperkt zijn tot de fantasie. In het belang van stabiliteit is dit hopelijk mogelijk want als dat niet zo is zullen destructieve filosofieën van tijd tot tijd de beste menselijke prestaties worden weggevaagd. Als dit voorkomen dient te worden moet de wilde in een ieder van ons een uitlaatklep vinden die niet onverenigbaar is met het beschaafde leven en het geluk van de evenzeer wilde medemens.

—————–

U kunt Neal Lachman volgen op twitter: @NwLibAmbitie.


Geef je op voor de dagelijkse Krapuul nieuwsbrief en mis niets