De schrijver kort voordat hij van zijn bed werd gelicht door “gezagsdragers”

Het christendom is zozeer gecontextualiseerd (geïncultureerd is een andere term) dat het de professionele christen wellicht niet eens opvalt. Of als theoloog besteedt men er geen aandacht aan. Dat de geboorte van Jezus handig enkele dagen na de kortste dag op het noordelijk halfrond wordt gevierd is zo’n contextualisering. Niet precies op de dag van het winterpunt, dat zou te veel toegeven aan “heidens” geloof zijn geweest, maar enkele dagen later. Sint-Jan (de Doper) valt enkele dagen na het zomerpunt, Allerheiligen en Allerzielen in de tijd van het jaar waarin het donker overheerst. Bidden met gevouwen handen verwijst naar een gebaar van overgave van volkeren buiten het Romeinse Rijk – de gangbare manier, gebruikelijk bij moslims, joden en christenen uit de streken van uitgifte, is met de palm van de hand naar boven gericht. Daar hoort iets meer bij: men bidt niet alleen voor zichzelf, maar voor de gemeenschap. De Eeuwige is geen jukebox die verzoekplaatjes levert.
Dit zijn open deuren. Toch moeten ze opengedaan worden voor menigeen voor wie bijvoorbeeld gekweel van Mariah Carey, kerstbrood en een tot sterven veroordeelde boom het wezen van kerstmis en daarmee van het christendom uitmaken.

Hoe die gecontextualiseerde individualiteit uitpakt als Janneke Stegeman een bevrijdingstheologie voor “de witte Nederlander” aanbiedt zal ik dan nu aanvatten – ik heb er lang tegenaan gehikt (ha, “ik”, daar ben “ik”…).

“Ik ben een witte vrouw.”
Aangenaam. Ik niet.
“Een witte vrouw met een relatie met een man, ik ben extreem hoogopgeleid, met een gezond lichaam dat past bij hoe ik me voel.”
Ik heb geen relatie met een man, maar daar zullen we dan congruentie in vaststellen. Ik heb geen gezond lichaam. Het past ook niet bij hoe ik me voel. Hier komt het hikken pas goed aan bod, want moet ik dit nader uitwerken? Daar heb ik per saldo geen zin in. Er is een deel van de zin die een overeenkomst tussen Stegeman en mij weergeeft: ik ben extreem hoogopgeleid. Maar dan: ik heb er geen baten van ondervonden. Slechts een deel van één jaar heb ik op academisch niveau betaald werk verricht en dat is moeizaam bevochten geweest. Zou het komen doordat mijn ouders elkaar op de fabriek hebben leren kennen? Het is maar een ideetje.
“Het is een flinke lijst van dingen die bij mij horen en die privileges met zich meebrengen. Het doet er allemaal toe. Het bepaalt wat ik zie, en zeker wat ik niet zie.”
Dat je bijvoorbeeld niet ziet dat “wit” niet hetzelfde als “geprivilegieerd” betekent.

“Nog nooit werd ik geminacht om mijn seksuele identiteit. Nog nooit werd een dierbare van mij vermoord.”
Halt! De eerste zin zegt mij niet zoveel. Nooit verdacht van eigenlijk lesbisch wezen? Ik wel van “eigenlijk homo” zijn. Praat niet over uzelf, dat doen wij wel als u weg bent.
Maar goed, de volgende zin. Waarom die in de opsomming staat ontgaat mij. Ben ik minder geprivilegieerd omdat er wel zeker één dierbare van mij vermoord is? Over haar ga ik het niet hebben, maar dan teken ik aan dat abt Paolo van Deir Mar Mousa mij ook heel dierbaar was. Of is. Er waren tijden waarin ik mij in gedachten terugtrok naar dat klooster aan de rand van de woestijn en dat in ieder geval voor mijn levensdagen als definitief geschonden zal blijven gelden. Paolo is onthoofd door die club die ze ISIS noemen. Ge kunt er van weten. Die andere dierbare, nogmaals, houd ik voor mijzelf nu, en voor de anderen voor wie zij ook dierbaar was/is. *)

“Nog nooit werd land van mij afgenomen.”
Telt het door een knokploeg van de wooncorporatie, die er op uit was het appartement waarvoor ik braaf huur betaalde te verkopen, op straat gegooid worden als zodanig? Ik vraag het – voor mijzelf.
O maar de volgende zin past hier ook bij.
“Nog nooit voelde ik me bedreigd of zelfs maar onheus bejegend door een Nederlandse gezagsdrager.”
Klikjes op de lijn. Mijn buurvrouwen op de telefoon kunnen volgen – beiden hebben contacten met vluchtelingen, zelf werk ik in een boekhandel die voor “subversief” zal doorgaan, zoveel betekenis heeft artikel 7 van de grondwet nooit gehad. En dan die keer dat er zeven auto’s van de politie voor de deur stonden om mij om half vijf ’s nachts in te rekenen.

“Er is maar een groep voor wie het doorgaans nog moeilijker is dan voor mij om de eigen positie te zien, en dat zijn witte mannen, witte mannen die op vrouwen vallen en zich prima op hun gemak voelen in hun witte lichaam.”
Het leven in een klassenmaatschappij, het is een realiteit die ontsnapt aan wie een “bevrijdingstheologie voor witte Nederlanders” presenteert. Is het tegenwoordig sjiek om (een beetje) te geloven?
Ik ga vrezen van wel.

Goed, het bovenstaande is gedaan. Hierna in het vervolg het echte werk.

(Alle citaten van pag. 9 in Janneke Stegeman, Alles moet anders! – Bevrijdingstheologie voor witte Nederlanders. Utrecht: Boekencentrum/Kok, 2017.)

——
NAGEKOMEN NOOT

*) De valkuilen – om niet alleen stil te hoeven staan bij die ene ongenoemde dierbare kameraad heb ik vader Paolo ook ter sprake gebracht. Ik bedenk dat ik hem heb leren kennen ter plaatse – en ja, twintig jaar geleden kreeg je “gewoon” op straat te horen in Syrië dat je geprivilegieerd was door daar te zijn. Het omgekeerde was veel te duur. Is het, nu het om vluchten gaat, nog steeds. Meer hierover later.
Dit is een vervolg op eerder hier verschenen stukken.

verspreid dit nieuws...Tweet about this on Twitter3Share on Facebook0Share on LinkedIn0Share on Reddit0Email this to someone
Deze nieuws en opiniesite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis voor iedereen. Dat is enkel mogelijk door de steun van onze lezers. Wij hebben jouw steun hard nodig! Doneer via de doneerknop boven in de rechterkolom of vraag via krapuul2009@gmail.com om het rekeningnummer waar je de donatie naar kan overmaken.