Toen mijn schoonvader 65 werd, kreeg hij mooie toespraken op zijn werk, cadeaus en een medaille. Daarna kon hij geraniums gaan kweken. Voorheen was hij een trouwe werknemer met hart voor zijn job. De laatste jaren was zijn baan afdelingschef op de verfafdeling van een motorenfabriek.
Dat geraniums kweken ging hem niet zo goed af, hoewel hij altijd een zeer vitaal persoon was. Mijn schoonmoeder hield van tuinieren. Dat deden ze de eerste jaren van zijn pensionering samen. Maar schoonpapa tuinierde niet van harte. “Ik ben geen mol,” placht hij te zeggen. Wroeten in de aarde lag hem gewoon niet. Hij verveelde zich grondig (pun intended). Ik zou hem omschrijven als een mensenmens. Hij hield van contacten met allerlei mensen, van een praatje met iedereen en hen helpen binnen redelijke mogelijkheden.
Op zijn zeventigste kreeg hij via contacten werk bij een tennisclub. Daar was hij manusje van alles. Hij zorgde voor de banen, voor de consumpties, voor de begroeiing, in de winter voor de blaashallen en was vraagbaak voor de leden. Die job was echt iets voor hem. Hij deed het met veel plezier. Van zijn zeventigste tot zijn tachtigste was hij werkzaam op de tennisclub. Weliswaar zwart, maar beter dat dan geraniums kweken. Na zijn tachtigste begon mijn schoonmoeder dusdanig met haar gezondheid te sukkelen dat hij besloot voornamelijk voor haar te zorgen.
Uit het verhaal kan een politieke vertaalslag worden gemaakt. Veel 65-plussers zijn het werken nog niet moe, ze willen nog meedoen in de maatschappij. Voor anderen geldt het omgekeerde. Die zien al jaren van tevoren uit naar hun pensionering. De ene mens is de andere niet. Met opzet schrijf ik dat cliché neer. De politiek, en dan bedoel ik alle politieke partijen, doen net of alle mensen over een kam kunnen worden geschoren. De strijd gaat over de pensionering op de leeftijd van 65 of 67 jaar. Maar serieuze beschouwingen over flexibele invulling van het einde van het werkzame leven komen nauwelijks in de publiciteit.
Soms duurt het een tijd voordat het kwartje valt. Aan de ene kant lopen de kosten van pensionering bij de toenemende vergrijzing op. Aan de andere kant willen velen blijven werken na hun pensionering. Daar bovenop (aan de bovenkant) zijn de laatste lichtingen pensioengerechtigden in het algemeen hoger geschoold dan daarvoor. Was een hoge scholing voor het einde van WO-II slechts voor een minderheid weggelegd, na de oorlog kwam de educatieve emancipatie van de arbeidersklasse op gang. Het einde van de oorlog betekende echt een ommekeer qua scholing. Dat hooggeschoolde werk is meestal langer vol te houden dan zwaar laaggeschoold werk. Daar mag uit worden geconcludeerd dat er een toename zal optreden van bejaarde werkzoekenden. Maar tegelijkertijd moeten we realistisch blijven. Zwaar werk zal nooit verdwijnen. Langer zwaar werk verrichten betekent martelwerk. De geschetste overwegingen nopen tot herbezinning op het pensioneringsvraagstuk.
De SP is als laatste gezwicht voor de verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar. ’65 is 65′ bleek ook voor haar een holle leus. Voornamelijk wordt gekeken naar de problemen (kosten), niet naar de mogelijkheden van de ouderen. Van de SP verwacht ik geen flexibele instelling – dat kan aan mij liggen. Maar ik denk dat met flexibele mogelijkheden tot langer doorwerken, bijvoorbeeld aparte CAO’s voor 65-plussers, veel van de problematiek valt te tackelen. 65 kan 65 blijven voor wie het werk te zwaar wordt. Nu zijn er nog talrijke obstakels. Ook 65-plussers genieten ontslagbescherming. Als er geen sprake is van een contract voor bepaalde tijd, zal de werkgever naar het CWI of de kantonrechter moeten op het moment dat de 65-plusser niet vrijwillig met beëindiging instemt. De werkgever moet dan aantonen dat er een reden is voor het ontslag en loopt bovendien het risico dat de kantonrechter een ontslagvergoeding toekent. Met deze en andere regels is het niet aantrekkelijk om ouderen in dienst te houden en te nemen.
Welke politieke partij pakt de handschoen op van de organisatie van flexibel werken van de ouderen?





