– door Wim Vermeersch –

Hoe kunnen we opnieuw ‘open’ steden bouwen waar mensen samenleven en om geven? Op die vraag geeft één van de meest invloedrijke denkers over stadsplanning, Richard Sennett, een antwoord in zijn recente meesterwerk ‘Building and Dwelling. Ethics for the City’ dat in november een Nederlandse vertaling krijgt.

“Hoe strakker en uitgesprokener stedelijke vormen zijn, hoe meer ze definiëren wie er wel en niet thuishoort.” Richard Sennett (75) is geen fan van het grote kapitaal dat de stad inneemt, noch van hoe steden steeds meer op elkaar lijken. Hij heeft zijn steden graag chaotisch. Voor Sennett is de nadruk op controle en orde van stadsplanners zelfdestructief. In Building and Dwelling. Ethics for the City (2018) houdt hij hen een spiegel voor. Het is een prachtig boek, een ode aan de stad, aan haar grillen en haar verschillen, met zorgvuldig neergepende sfeerbeelden: we lezen hoe hij thee drinkt op een informele markt in Delhi omgeven door technologische startups, hoe twee jongetjes hem gidsen door de sloppenwijken van Medellín en hoe hij in de Berlijnse Kantstrasse – herstellend van een beroerte – tegen de muur leunt om op adem te komen. Hij moet toch een echte liefdesaffaire hebben met de stad vragen we hem, wanneer we hem wijzen op die laatste scène waar niemand zich iets lijkt aan te trekken van een wankele oude man op de stoep. “Absolutely. De oppervlakkigheid van de stad is geen zonde. Het is net deze vorm van begrensde broederlijkheid die haar doet functioneren. De voorbijgangers bekeken me uiteraard, maar zagen dat ik wel verder kon. En zelf was ik ook blij, want ik had niet echt zin in een scène.”

Building and Dwelling sluit de trilogie van Richard Sennett over de homo faber, de makende mens. Eerst schreef hij De ambachtsman. De mens als maker (2008), over de relatie tussen hoofd en hand; nadien Samen. Een pleidooi voor samenwerken en solidariteit (2012), over hoe mensen sociale wezens zijn. Richard Sennett zélf is ook een homo faber. Dat valt meteen op als we zijn ‘open’ – naar zijn stadsvisie, lijkt het wel – appartement in Londen binnenstappen voor dit gesprek. Een vleugelpiano, een contrabas en andere instrumenten domineren de living. Ooit was Sennett voorbestemd voor een muzikale carrière – opnieuw dat maken. Maar uiteindelijk werd het een leven gewijd aan stadsplanning – het maken van steden. Dit jaar kwam een einde aan een lange carrière als adviseur bij de VN en vestigde hij zich definitief in Londen, een stad waar hij als Amerikaan is van gaan houden (“Ik ben grote fan van burgemeester Sadiq Khan”) en waar hij les blijft geven aan de London School of Economics. Dit is zijn 15e en wellicht laatste boek over stadsplanning. Waarom zoveel boeken over het onderwerp? “Ik was altijd veel meer geïnteresseerd in steden dan staten. Schrijven is mijn manier om te weten, en mijn standpunten zijn over de jaren heen nogal eens veranderd. Met dit boek blik ik terug op mijn tijd bij de VN; het is mijn finale visie op hoe een ‘open’ stad er voor mij moet uitzien. Al zijn dit niet mijn memoires (lacht).”

Zijn uw opvattingen in de loop van de jaren dan zo veranderd?

“Als beginnend stadsplanner was ik fan van Jane Jacobs, de Amerikaans-Canadese planologe en activiste. Voor haar moest stadsplanning bottom-up, voorzichtig en kleinschalig zijn. Dat vond ik eerst ook. Voor de VN was ik echter vaak in Shanghai, Mumbai en Delhi, exploderende steden waar grootschalige stadsplanning nodig is. Je kan geen wegen- of rioleringsnetwerk creëren door lokaal te denken. Ik ben dus wat gekeerd. Toch wil ik met mijn boek aantonen dat ook stadsplanning op grote schaal te combineren valt met ethische soberheid. Het maken van de stad hoeft niet groots te zijn: het renoveren van een bescheiden huis, het aanplanten van bomen in een straat, het plaatsen van bankjes waar ouderen kunnen zitten,… De ethiek van het maken van de stad zit in de kleine dingen.”

In uw boek besteedt u veel aandacht aan de grote stadsplanners van de 19e eeuw – Ildefons Cerdà in Barcelona, Georges-Eugène Haussmann in Parijs en Frederick Law Olmsted in New York.

“De beginjaren van de stadsplanning fascineren me. Cerdà was een socialist die via een rooster van bouwblokken, zoals we dat vandaag nog zien in de Barcelonese wijk L’Eixample, gelijkheid wilde creëren. Haussmann brak de middeleeuwse Parijse straatjes af omdat die door Communisten makkelijk konden worden afgezet en lag aan de basis van de grote boulevards. En Olmsted tekende de plannen uit voor Central Park in New York, een plek – zo hoopte hij – waar verschillende rassen elkaar konden ontmoeten.”

Alle drie dachten ze de stad te kunnen modelleren naar hun politieke inzichten?

“Precies. Cerdà wilde de stad gelijk maken, Haussmann toegankelijk en Olmsted sociaal. Maar de woningblokken van Barcelona brachten geen gelijkheid, wel monocultuur. In Parijs zorgde het rigide stadsplan voor zeer geprivilegieerde plaatsen. En ook Central Park werd een exclusieve plek voor rijken. Waarom slaagden hun plannen niet? Ze hielden te weinig rekening met de inwoners die de stad bevolkten.”

Kan een doorgedreven stadsplanning een bestaande sociale orde wel aanpakken?

“Natuurlijk niet. Dat moet op andere manieren gebeuren. Toen ik in de jaren 1970 in New York als stadsplanner aan de slag was focuste ik niet op parken, zoals Olmsted, maar op scholen. De diepgewortelde segregatie gom je niet zomaar uit met wat aanpassingen aan de publieke ruimte. We brachten kinderen uit wijken buitenaf met de bus naar school en dat werkte. Het delokaliseren van het schoolsysteem is veel efficiënter dan een doorgedreven stadsplanning. Vandaag zie ik ook bij mijn studenten dat ze, net zoals de grote stadsplanners uit de 19e eeuw, denken dat je je weg uit heel wat sociale problemen kan plannen. Ze vergissen zich. Ongelijkheid heeft te maken met politieke economie, niet met stedelijke planologie. You cannot plan your way out of capitalism.”

Heeft stadsplanning dan geen enkele impact?

“Toch wel. Goede stadsplanning kan steden voor een stuk ‘openen’.”

Wat bedoelt u daarmee?

“Het kapitalisme heeft veel steden gesloten. De stad geraakte gestandaardiseerd en gesegregeerd. Bouwbedrijven experimenteren nog weinig, want dat kan fout gaan en kost geld. Londen is vandaag nog steeds in shock na de financiële crisis van 10 jaar geleden. De stad is zo getraumatiseerd dat het de wil heeft verloren om te experimenteren met stedelijke vormen en huisvesting. Vandaag parkeert de buitenlandse elite haar kapitaal hier in vastgoed. In sommige delen van Londen brandt in slechts 20% van het gebouw het licht. Allemaal afwezige eigenaars.”

Dit aanpakken is opnieuw een kwestie van politiek, niet van stadsplanning?

“Burgemeester Sadiq Khan probeert projectontwikkelaars te overtuigen om 30% van hun projecten voor te behouden voor betaalbare huisvesting, voorlopig zonder succes. Het is nochtans een oud Brits idee dat sociale huisvesting over de hele stad moet zijn verspreid, ook in rijke wijken. Dat is anders in New York, waar aparte sociale huisvestingscomplexen bestaan. Arm en rijk komen er elkaar niet tegen.”

In uw boek bespreekt u een aantal manieren om de stad opnieuw te ‘openen’. Zo moet het stadscentrum voor u ‘synchroon’ zijn. Wat bedoelt u daarmee?

“Bij het ontwerpen van een publieke ruimte moet een stadsplanner steeds de voorkeur geven aan een plek waar verschillende zaken tegelijk kunnen gebeuren boven een plek met slechts één functie. Een publieke ruimte plan je best volgens de principes van de bazaar, waar veel sociale activiteiten tegelijk plaatsvinden. Dat is niet eenvoudig. Het vraagt veel coördinatie. Want ook de tijdsgeografie van een plek moet ‘synchroon’ zijn: er moeten de hele dag door dingen gebeuren. Als de winkels om 6 uur ’s avonds sluiten mag het centrum geen dooie boel worden. Tegelijk moet een publieke plek zo vormgegeven worden, onder andere via verlichting, dat ze niet onveilig aanvoelt als het donker is. In Londen hebben we sinds kort een ‘Night Czar’, die belast is met het organiseren van avondlijke activiteiten om de stad ook dan een ziel te geven. Ikzelf werk rond een project om de leveringen van winkels ’s avonds te laten gebeuren. Economische activiteit in de daluren houdt een stad levendig en ontlast ook de metro die vooral vol zit tussen 9 en 5.”

We lezen in uw boek ook dat een stad ‘gepunctueerd’ moet zijn.

“(enthousiast) We komen bij de heilige graal voor een stadsplanner: plekken creëren met een uniek karakter. Zonder ‘aanhalingstekens’ werken publieke ruimtes niet. Ikzelf besteedde altijd veel aandacht aan straatmeubilair – zitbanken, drinkfonteinen, kleine beplanting, verschillende vormen van voetpaden. Punctuatie is vaak banaal, maar het markeert een plek. Een bank die gericht is naar een gebouw of een park, in plaats van naar de straat, geeft aan: dit is een plek van waarde waar je kan zitten.”

Voor alle duidelijkheid: wanneer u spreekt over punctuatie heeft u het niet over een iconisch treinstation van Calatrava of een duur operagebouw?

“Ik ben ongelooflijk tegen dat soort monumentale punctuatie. Die werkt zelden en kost handenvol geld. Geld dat niet in meer belangrijke dingen kan worden geïnvesteerd. De obelisk op Trafalgar Square is leuk voor toeristen, maar betekent niets voor Londenaars. Neen, ik heb het over punctuatie die mensen beter doet voelen over de buurt waar ze wonen. Iets waardevols hoeft niet per se duur te zijn. Het verbaast me telkens weer hoezeer kleine zaken de publieke ruimte van arme mensen kunnen opfleuren. Het is vaak symbolisch. Iets waar ze trots op kunnen zijn of dat goed is voor hun gemeenschap. Als je wil dat bewoners eigenaarschap nemen over hun buurt, moet je iets voorzien dat het waard is om eigenaar over te worden. Dát is de taak van stadsplanners.

Met de VN zorgden we in een door drugs getroffen wijk in Medellín voor bloembakken die door de bewoners zelf werden onderhouden. In Addis Abeba plaatsten we 30.000 kleurrijke koffietafeltjes en -stoelen doorheen de stad. (toont in zijn boek een foto van zo’n koffietafeltje met op de achtergrond een gevangenis) Opnieuw die boodschap: dit is niet alleen een verschrikkelijke plek.”

Het creëren van wat schoonheid binnen de lelijkheid?

“Na de aanslagen in Parijs was ik in Molenbeek. De fysieke lelijkheid trof me. Alsof niemand ooit de moeite heeft genomen om het er te doen uitzien als een plek waar mensen willen wonen. Hoe kan je van Molenbekenaren eigenaarschap verwachten van zo een grimmige plek? Je hebt nochtans niet veel geld nodig om, via punctuatie, van Molenbeek een mooiere plek te maken. Los daarvan geldt voor Molenbeek wat ik over New York zei: een doorgedreven stadsplanning zal de segregatie niet oplossen. Inzetten op scholen is veel efficiënter.”

We lezen in uw boek ook dat stadsplanners gebouwen moeten uittekenen die ‘poreus’ zijn. Wat bedoelt u daarmee?

“Een gebouw moet zijn zoals een spons, met een open stroom tussen binnen en buiten. Dat is vandaag nauwelijks het geval. Kantoren en flatgebouwen hebben vaak maar één ingang, op het gelijkvloers is er enkel de lobby en de verdiepingen erboven zijn niet toegankelijk.”

Waarom zijn ‘poreuze’ gebouwen zo belangrijk?

“Het is een manier om steden leven te geven. Het is één van de grote uitdagingen voor stadsplanners vandaag: hoe ontwerpen we gebouwen met veel in- en uitgangen, met veel passage? De fantastische Deense stadsplanner Jan Gehl is daar mee bezig. Hij experimenteert met het inslaan van muren en het plaatsen van extra deuren en ramen om straten tot leven te brengen.

Ook wolkenkrabbers bieden een opportuniteit. Je kan ze ontwikkelen als verticale straten. In plaats van een centrale kern die de verdiepingen bedient, kan je een verticale straat uittekenen met veel liften, met op verschillende verdiepingen openbare ruimtes en met connecterende gangen. In Londen is 30 St Mary Axe, beter gekend als ‘De Augurk’, zo’n gebouw met veel interne mobiliteit en publieke ruimtes in de hoogte. Dat kost natuurlijk veel geld. Ik zou al blij zijn als we erin slagen om het gelijkvloers van gebouwen meer ‘poreus’ te maken.”

Naast gebouwen moeten ook publieke ruimtes voor u ‘poreus’ zijn. Waarom?

“Het staat toe dat verschillende bevolkingsgroepen zich mengen. Dat is een remedie tegen de angst voor de ander. Als je mensen fysiek van elkaar scheidt, neemt fantasie de bovenhand op ondervinding. Vroeger werd de toegangsbrug in het Joodse getto in Venetië ’s nachts opgehaald. Allerlei waanideeën gingen leven. Dat is vandaag net zo. Veel AfD-kiezers in Duitsland hebben nog nooit een moslim gezien. Fantasieën zijn een menselijke basisimpuls. Stadsplanning kan dat niet elimineren, maar kan wel een ‘poreuze’ omgeving creëren zodat mensen fysiek meer comfortabel zijn om in dezelfde ruimte te zijn met mensen die anders zijn.

Ook de stadsrand maken we best zo ‘poreus’ mogelijk. Veel stadsplanners kijken naar de stadskern om het gemeenschapsleven op te krikken. Ze negeren de stadsrand. Fout. Als alle investeringen gebeuren in de meest ceremoniële plekken van de stad, dan keert de gemeenschap naar binnen. Het is veel beter om in de stadsrand te investeren. Als je daar een publieke plek, een ziekenhuis of een markt creëert, dan maak je die ruimte ‘poreus’ voor zowel diegenen in de kern als diegenen buiten de stadsrand. Arm en rijk komen met elkaar in contact.”

Ook uit uw boek: stadsplanners moeten infrastructuur zien als een incomplete vorm die nog moet worden ingevuld.

“Ik maak me echt zorgen over hoe stadsplanners vandaag denken. Hun nadruk op controle en orde is zelfdestructief. Ze denken in permanente structuren die onveranderbaar zijn. Stadsplanners kunnen veel leren van arme mensen, die worden gedwongen te werken met incomplete vormen. Hun projecten zijn, uit noodzaak, steeds onaf. Ook ik bekijk stadsplanning als het maken van plekken die nog gekoloniseerd moeten worden. Je mag publieke ruimtes niet definitief invullen en vastzetten. Inwoners moeten er iets mee kunnen doen.”

Kan u een voorbeeld geven?

“De aanleg van straten. Mijn eigen straat werd onlangs heraangelegd. De stadsplanner – ik ken hem toevallig, een snuggere kerel – heeft het voor de fietsers zo comfortabel en voor de automobilisten zo oncomfortabel mogelijk gemaakt. Op zich een goede zaak. Maar door te werken met vaste fiets- en autobanen heeft hij de publieke ruimte helaas volledig vastgezet.”

Los daarvan is het fysiek voorrang geven aan de fiets in de openbare ruimte toch een goede zaak?

“Natuurlijk. De fiets maakt een stad ‘poreuzer’: ze neemt nauwelijks plaats in, hoeft niet geparkeerd te worden en kan kleine steegjes in. De auto heeft zoveel schade berokkend, op vlak van milieu, van sociale relaties, dat het tijd is voor radicale actie: de auto moet de stad uit. Het is waarom ik zo hou van Amsterdam. Gelukkig krijgen nu ook in Londen fietsers systematisch voorrang in de planning van straten. In Barcelona denkt men erover na om de woonblokken van Cerdà samen te voegen tot superwoonblokken van 9 units waarbinnen de auto wordt geweerd. Het verdwijnen van de auto biedt veel mogelijkheden voor stadsplanners. In New York is 30% van de publieke ruimte parking. Wanneer die ruimtes vrijkomen, is dat een enorme opportuniteit om de stad opnieuw ‘open’ te trekken.”

Is uw boek een schreeuw tegen de standaardisering van steden?

“Zeker. Ik heb mijn steden liever chaotisch en complex. Wanneer mensen en dingen met elkaar in contact komen, krijgen we synergie. Het is een principe dat teruggaat tot Aristoteles. Een student van me ontdekte dat er meer patenten komen uit Silicon Alley, een tech hub in hartje Manhattan, dan uit Silicon Valley, buiten San Francisco. Waarom? In the Valley is er geen stimulans van buitenaf, geen synergie.

Nogmaals, ik ben niet tegen grootschalige stadsplanning. Integendeel. Die is nodig voor de aanleg van een wegen- of rioleringsnetwerk. Maar het wordt een probleem wanneer de megaconstructie de complexiteit verdrijft, wanneer die vast en onbeweeglijk wordt. Ik hou niet van steden die werken als een gesloten systeem waar vorm en functie nauw aan elkaar zijn gelinkt. Veel steden zijn clean en klinisch. Hoe strakker en uitgesprokener stedelijke vormen zijn, hoe meer ze definiëren wie er wel en niet thuishoort. Bovendien is een strakke band tussen vorm en functie een recept voor technologische veroudering.”

Wat bedoelt u?

“Slimme steden met overdreven veel planning komen in de problemen als de technologie verandert. In Masdar City, zo’n slimme stad in het emiraat Abu Dhabi, voorzag men een groot aantal opslagplaatsen voor zelfrijdende auto’s. Toen die een paar jaar later een stuk kleiner werden, omdat de batterij kromp, mocht men van vooraf aan herbeginnen. Songdo, in Zuid-Korea, is nog zo’n slimme stad. Daar bouwde men vooral energie-efficiënte woningen van 80 m² voor families met 1 kind, zoals dat in China lange tijd het geval was. Maar families hebben er vandaag meer kinderen dan vroeger. Men heeft de hele stad moeten herbouwen. Het is een basisregel in de technologie: wanneer de vorm aangepast is aan de functie kan je niet evolueren en krijg je stilstand.”

We moeten niet alle heil verwachten van slimme steden?

“Het is niet omdat iets nieuw is dat het ook goed is. Technologie kan een stad openen of sluiten. Van het eerste ben ik voorstander, van het tweede niet. Technologie die het stadsleven dicteert en de inwoners controleert, zorgt voor domheid. Songdo blijkt helemaal niet ‘slim’. Het is een spookstad. Burgers worden niet betrokken bij de keuzes van het stadsleven. De zorgvuldig uitgetekende publieke ruimtes zijn er geen succes. De inwoners geven er de voorkeur aan de spontaan gegroeide, informele ruimtes, die complex, divers en bottom-up zijn.”

– Overgenomen van Globalinfo dat het dan weer van Samenleving & Politiek heeft.

verspreid dit nieuws...Tweet about this on Twitter
Twitter
0Share on Facebook
Facebook
0Share on LinkedIn
Linkedin
Share on Reddit
Reddit
0Email this to someone
email
Deze nieuws en opiniesite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis voor iedereen. Dat is enkel mogelijk door de steun van onze lezers. Wij hebben jouw steun hard nodig! Doneer via de doneerknop boven in de rechterkolom of vraag via krapuul2009@gmail.com om het rekeningnummer waar je de donatie naar kan overmaken.