Frusty House – Deel 4


Ik had een veldje met wiet neergezet bij mijn ouders op de boerderij en toen het einde van het jaar naderde moest dit opgehaald worden. Mijn ouders hadden er geen kwaad in gezien. Wellicht toen de politie eens ergens voor langskwam en naar pa’s metersgrote aquarium wilden kijken dat ze bang waren geweest of deze lui ook even naar de prachtige tuin wilden kijken. Dat weet ik niet. Blijkbaar niet gebeurd.

Er is een foto gemaakt van mij toen, in een Humphrey Bogart regenjas, tussen de planten die te drogen hingen in de paardenstal. Die foto zou ik nog wel eens willen zien. Anyway met een paar ritjes was alles vervoerd. Ik weet dat er mensen nachtenlang bezig zijn geweest om het schoon te maken. Ik heb me er niet mee bemoeid.

Uiteindelijk bleef er nog een enorme lading poeder over. Gedeeltelijk ging die naar mij en gedeeltelijk naar een of andere gek met een T-shirt winkeltje en een pruik en best wel een geile vriendin. Hij heeft er toen geprobeerd hash-olie van te maken. Maar dit ging niet goed. Zijn entire appartement in ’t Ginneken explodeerde bij deze poging. Haalde de krant. Nogmaals, we spreken hier bijna 30 jaar geleden.

Ik kreeg mijn duizenden guldens en in maffiakostuum en Humphrey Bogart regenjas wandelde ik naar huis. Frusty House in het centrum van ’t Ginneken. Om een paar uur later weer braaf naar aardrijkskunde op het Stedelijk Gym in Breda te gaan.

In Frusty House waren wij net The Young Ones. We hadden die rare new wave gast, dat was een goeie vriend van mij, een hippie, een andere goeie vriend van mij, een punker, die woonde daar ook, en die “normale gast” dat was ik.

Paar maanden later was het 1 januari.

Ik werd wakker badend in het bloed. Ik volgde het bloedspoor naar beneden.

Al mijn goede vrienden en medekrakers waren verdwenen. Ik was de enige in dat enorme pand. Die fabriek met al die kamers erboven.

Wat bleek die allerbeste vriend van mij had mij op oudejaarsavond zo aan mijn kop zitten zeiken dat ik een stoel op zijn kop had kapotgeslagen. Dat trokken mijn kameraden niet en daarom waren ze allemaal weg.

Ik was weer alleen in het enorme kraakpand. Zo rolde ik toen. De eigenaar van het pand kwam ook nog langs. Maar daarover wellicht een andere keer.