Bij het overlijden van Willem Aantjes

Het volgende grote citaat – let op, dit is een langleesstuk – is de parlementaire geschiedenis ingegaan als de bergrede van Willem Aantjes, gehouden bij het oprichtingscongres van godbetert het Christen-Democratisch Appèl op 23 augustus 1975 – de fusiepartij van katholieken, gereformeerden en licht-protestanten. Aantjes, die het gedogen van het kabinet-Den Uyl had ingezet, wilde blijkbaar de C van deze naam serieus nemen:

Wim_Aantjes_(1974)“Waarom zijn wij hier en waarom sta en spreek ik hier? Daar is maar één reden voor: als een getuigenis dat wij bij elkaar behoren en ook bij elkaar willen behoren.

Niet om de ogen te sluiten voor de werkelijkheid, maar om blijk te geven van onze wil om ondanks die werkelijkheid tot elkaar te komen en bij elkaar te blijven. Het CDA wil een appèl zijn op ons volk. Vandaag op onze struikelende weg van wenselijkheid naar werkelijkheid is het allereerst een appèl op elkaar en op onszelf.

Ik hoop dat we het vandaag niet zoeken in subtiele formuleringen en interpretaties, maar zullen discussiëren over de achterliggende zaken zelf. Het gaat er niet om dat wij weleens zullen uitmaken wie er christen is en wie niet. Dat is en blijft voor ieders eigen verantwoordelijkheid en geweten. Het zijn karikaturen die de discussie bederven. Waar het om gaat, is dat het aanvaarden van het evangelie als richtsnoer geen vrijblijvende zaak kan en mag zijn. Daar is het evangelie te kostbaar en unie voor. Zwaarder referentiekader dan het evangelie is er niet. De vraag is niet, hoe goed christen iemand is, maar hoe serieus hij het principiële uitgangspunt van de door hem vertegenwoordigde politieke richting neemt voor zijn politieke activiteiten; in hoeverre het beginsel niet alleen op papier geldt, maar ook in het praktisch beleid als maatstaf en zelfs als voornaamste en laatste maatstaf zal functioneren, en waar je in die zin ook elkaar op tot de orde mag roepen. Niet als een last, maar als een bevrijding. Niet omdat je je aan het evangelie moet houden, maar omdat je ook (en zelfs) in de politiek mag wandelen aan de hand van Gods geboden en geloften.

Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen, maar het geeft wel richtlijnen voor het rechtstreekse politieke handelen, en soms wel degelijk heel concreet. Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
Maar dan moeten wij dan wel nú vandaag toepassen. Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen!

De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1 procent van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven, hebben wij meer zorgen over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed, dan over de vraag of die 99 procent die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed.
De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld.
En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij we ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen vuil wenst te maken.
De naakten worden niet gekleed. Zij worden uitgestoten.
En de gevangenen wórden niet bezocht. Zij worden gemarteld. En wij vinden dat wij al heel wat doen – ik spreek over mezelf – als wij een kaart van Amnesty International als kerstgroet rondzenden in plaats van een zoete afbeelding van de herdertjes in Efratha’s velden.

Geen plaats voor christelijke politiek?
De wereld hunkert naar christelijke politiek!

Een politiek, die spreekt voor wie geen stem hebben; die handelt voor wie geen handen hebben; die een weg baant voor wie geen voeten hebben; die helpt wie geen helper hebben.
Kunnen wij dan wel iets doen? Staan wij dan niet machteloos tegenover al deze geweldige noden? Ik weet dat het vooral in het gezelschap van vele antirevolutionairen en christelijk-historischen niet zonder risico’s is de naam van Dorothee Sölle te noemen. Maar waarom zouden wij haar alleen onder het theologische ontleedmes leggen, en niet ook horen de klacht en aanklacht van een mens die niet los kan komen van Christus, maar steeds weer vastloopt op de christenen? In haar gedicht over het overwinnen van de machteloosheid springen als een bevrijding plotseling de woorden naar voren:

Bij ons heeft al eens iemand brood verdeeld
dat genoeg was
voor allen
Bij ons is al eens
iemand opgestaan
uit de doden

Zo uniek, zo exclusief is het evangelie. En zó is het een richtsnoer voor het politieke handelen. Als dat niet herkenbaar is in een christen-democratische politiek, verdient het die naam niet.
Christelijke politiek wordt gekenmerkt door verantwoordelijkheid, dat wil zeggen dat je er weet van hebt verantwoording te moeten afleggen, antwoord te moeten geven. De eerste vraag, die aan een mens gesteld werd, luidde: “Adam, waar ben je?” Dat is de vraag die ons gehele leven begeleidt, ook in de politiek, bij iedere beslissing telkens weer: mens, waar ben je? Waar sta je in de problemen van de wereld? Aan welke kant sta je?
Die eerste vraag zal ook de laatste vraag zijn die ons zal worden gesteld en hij zal niet luiden: “Hoe goed heb je verdiend?” – dat is de vraag die ons hier in de politiek te veel bezighoudt – maar: “Hoe goed heb je gediend?” Het antwoord op de vraag die dan gesteld wordt, wordt hier gegeven.
Vanuit dat besef politiek te handelen, daarin wordt christelijke politiek herkenbaar. Daarin nemen wij elkaar niet de maat. Daar lichten wij elkaar niet op door. Daar spreken wij elkaar wel op aan. Daar roepen wij elkaar wel mee tot de orde. Daar binden wij elkaar wel aan – en dat moet dan helaas wel formeel worden vastgelegd.
Dat is ons richtsnoer. En wie het voorrecht te beurt valt – want dat is het – als vertegenwoordiger van deze richting op verantwoordelijke posten tot politiek handelen te worden geroepen, wordt voor dat politieke handelen geacht daarmee in te stemmen. Het Christen-Democratisch Appèl zal zó zijn, wil het werkelijk christen-democratisch zijn.”

Als je de tekst nu ziet moet je je toch afvragen: wat deed zo’n man in het CDA? Want voor buitenstaanders was het ook in 1975 al duidelijk dat hier een historisch machtsblok werd geconsolideerd, de verzuiling overboord gegooid om het machtsapparaat te behouden. Tot en met de schande van 2010 toe, toen de fusiepartij electoraal instortte, in zee ging met wat toen nog protofascisten konden heten – hetgeen de verdere instorting bevorderde. In 2012 was het CDA kleiner dan de ARP waarvan Aantjes fractievoorzitter was geworden in 1971. In de peilingen krabbelt het genootschap overeind door politiek ongeveer te staan waar die protofascisten vijf jaar geleden stonden; inmiddels kunnen we het “proto-” van die kwalificatie wel achterwege laten. Aantjes is lid gebleven, loyaal ten einde toe. Of het CDA loyaal tegenover hem is geweest kunnen wij gerust betwijfelen, ook al meende hij zelf dat de onthulling van zijn oorlogsverleden in 1978 niet een kwestie van intern gekonkel tegen hem is geweest.

“Aantjes SS-er” kopte De Waarheid, voor welke krant de bezetting nog meer een toetssteen was dan voor de andere, het stond nog te bezien of hij zich aan oorlogsmisdaden had schuldig gemaakt en hij was in ieder geval kampbewaker geweest. Achteraf bleek het allemaal nogal mee te vallen en niet voortgekomen te zijn uit sympathie met het nazisme. Af en toe zag ik de laatste jaren een twiet van Aantjes langskomen die de vraag levend hield: wat doet die man in die partij? Maar de stem is nu definitief stilgevallen. Hij ruste in vrede.

*

Een persoonlijke noot: ik heb alweer wat jaren geleden deel uitgemaakt van een forum in Groningen Stad waarvoor ik uitgenodigd was als redacteur van een – ik zou bijna zeggen: het – anarchistisch blad in Nederland. Wat de studievereniging die het georganiseerd had er toe bracht ook het anarchisme vertegenwoordigd te willen zien heb ik maar niet eens meer gevraagd. Ik voelde mij vooral politicoloog in dat forum, eerder dan anarchist, voorzover ik beide kan scheiden. Maar gezien het gezelschap achter de tafel was het blijkbaar extra interessant dat ik het christen-anarchisme bestudeer. Van een CDA-er die dag herinner ik mij het gouden citaat dat solidariteit mooi is maar dat het wel betaalbaar moet blijven. Wat een contrast met het grote citaat hierboven!

En dan was Aantjes nog wel in de zaal! Hij merkte achteraf op dat hij niet kon achterhalen waar ik politiek stond en toen ik dit alsnog uitlegde vond hij dat dit had moeten blijken. Niet uitkomen waarvoor je staat vond hij niet goed. Het zat wat gecompliceerder maar het leek mij wel te passen bij gereformeerde steilheid (intussen ook al weggefuseerd…).
Nu bij zijn overlijden verneem ik dat hij niet gereformeerd was, maar gereformeerde-bonder. Het lot van de geschiedenis wil dat deze afsplitsing-zonder-afsplitsing-te-willen-zijn van de Nederlandse Hervormde Kerk juist tot stand is gekomen uit ergernis over de tolerantie van de synode ten aanzien van het christen-anarchisme. Waar Aantjes blijkens de bovenstaande tekst zeventig jaar later niet zo ver van af stond, wat die loyaliteit aan het CDA, dat er nog niet eens was, nou juist zo merkwaardig maakte.
De toenmalige hoofdredacteur van De Waarheid vond het maken van de kop “Aantjes SS-er” het ergste dat hij in zijn politieke loopbaan had meegemaakt. Loyaliteit was hem nou juist verder vreemd. Misschien begrijp ik Aantjes dan toch beter.