Kippen en kranten

krantenkippenWat is het vandaag? Dinsdag? Werkelijk?

Thuis van mijn werk. Half acht in de morgen. Deur open. Laptop op tafel, ik heb een hobby.
Kakelen.

Tuin, overdadig groen, vogels. Geluiden van de straat. Krant naast me. Staat er iets in wat ik nog niet gelezen heb online? iets dat mijn bloed sneller laat stromen? Iets dat de moeite waard is om over te schrijven? Iets dat nog niet is doodgezeken?

Nee. Maar ik denk aan de bezorger van de krant. Niet deze krant (nooit gezien, ik ben te vroeg of te laat) maar die op mijn werk. Die zie ik aankomen. On screen.

Ik zag haar op het scherm de oprit opscheuren. Met haar brommertje. Naarstig zocht ik op het achter apparaten weggestopte paneel het knopje dat de deuren van de sluis permanent open zetten. Kan ik buiten staan en de krant aannemen. Hoeft ze niet haar brommer uit te zetten, te parkeren, naar binnen te lopen. Ja, ze wordt geacht de krant binnen aan de balie af te leveren, we hebben geen brievenbus. Stel je voor dat de een of andere idioot daar een bom in laat verdwijnen. Of de bus vult met stront.

De deuren van de sluis staan open. Ik ben de poortwachter en de brievenbus.

Gevaarlijk. Maar het is zes uur in de morgen en een aanval van een gefrustreerde machoman op het huis vol geslagen vrouwen is niet te verwachten. Die mannen komen vreemd genoeg doorgaans overdag als ze in het volle licht hun verontwaardiging kunnen tonen. Zichtbaarheid is een machoding. Zelden heb ik een man aan de deur ’s nachts. En mocht er een komen, dan blijft de deur met kogelvrij glas gesloten. En mocht hij niet weggaan, dan bel ik 112.

Alles veilig. Dus snel ik door de openstaande deuren van de sluis naar buiten en zij nadert op haar brommertje en draait voor me langs. Tussen de 40 en 45 is ze, stevig en goedlachs. Op een soort scooter met wijde tassen boordevol kranten.

-Wat doe jij hier? Je had toch ontslag genomen?
-Nou, niet helemaal. Hij belde gisteravond. Dat-i naar ’t ziekenhuis moest, een heel verhaal. Dus heb ik het voor vandaag maar weer overgenomen. En ik heb nog ’n andere wijk, dus-
-Ik dacht dat je er helemaal mee opgehouden was? Het levert toch niks op, dat krantenbezorgen?
-Kranten… Nu je het zegt, ik heb hier de krant voor je en nog gratis ’n Telegraaf.
-Verbrand die maar.
-Nee joh, het is gratis. En ik dacht dat je die wel zou willen hebben.
-Ik gebruik dat als kattenbakvulling. Maar wellicht dat mijn collega’s ’t waarderen.
-Pak aan dan. Ik ben gelukkig klaar bijna, ze overhandigt me het papier en geeft daarna ’n beetje gas zonder weg te rijden.
-Maar waarom neem je dan zo’n dienst over eigenlijk?
-Het levert net wat op, toch? En ik heb een hobby.
-Een hobby? Wat dan?

-Het heeft veren en loopt op twee poten.
-Kippen?
Dat is het moment dat ze het sleuteltje omdraait en de motor van haar brommer stopt.

Eenentwintig kippen heeft ze, en daarom moet ze steeds wat bijverdienen. Het is geen goedkope hobby. Ja, je kunt de eieren verkopen, maar alles bij elkaar levert dat niet genoeg op. Het zijn zulke mooie dieren. En als er een iets heeft moet ze er zijn. Laatst nog ’n beest dat bijna dood bleef. Kon niet op haar poten staan. Ze gaf haar een vitamine-injectie en binnen een uur scharrelde het beest weer rond. Nee, een haan heeft ze niet. De buurt. En heb ik die ruggen van die hennen wel eens gezien als er een haan ‘toegang’ heeft? Een van de buurvrouwen klaagde, maar dat ging niet over haar kippen. Ja, ze maken lawaai. Maar ze had er eerst meer, dus nu moet ’t goed zijn.

Ze haalt ’n pakje sigaretten tevoorschijn en steekt er een op. Helemaal thuis. Met het hoofd omhoog blaast ze de rook de wereld in. Niemand die haar wat kan maken, de koningin van de kippen. Ze gooit haar peuk weg, glimlacht.

‘Zal ik eens een doosje voor je meenemen dan?’

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.