Wieuwerd en de Labadisten (De dode korrel en de rijke vrucht – extra)

Maria Sibylla Merian, begenadigd tekenares, lid van de Labadistengemeenschap
Het is 8 maart, en een gewaardeerd auteur van Krapuul vroeg zich af of in de Dode-korrelserie Van Schuurman wel zou langskomen. Welnu, voor de gelegenheid. Eerder verschenen, maar dat heb je zo met historische onderwerpen.

Het boek is anoniem uitgegeven en bewerkt, dat het oorspronkelijk geschreven is door Jacob Hepkema moet men uit het voorwoord dat dateert van november 1971, opmaken. Een flink deel ervan is gewijd aan de attractie van het landelijk gelegen Wieuwerd, de mummies in de crypte van de kerk. Een natuurfenomeen dat voor mij ten hoogste een toegift op het verhaal van het dorp is, want het is niet bekend wie er begraven zijn. In Onze God is een arbeider noem ik de Labadisten, om wie het dorp het bekendst zou moeten zijn, in het voorbijgaan, omdat zij tot het ruime geestelijk-maatschappelijke voorouderschap van de christen-anarchisten gerekend moesten worden.

Er zijn niet veel bronnen over de kolonie der Labadisten, Wieuwerd en zijn historie is er geheel op gebaseerd: Van Schuurman’s Eucleria, het boek van Van Berkum over de Labadisten dat hier weer geheel op gebaseerd is en de biografie van Van Schuurman, eveneens uit het midden van de negentiende eeuw, van Schotel. Wat hierin verwerkt is komt samengevat voor in Domela’s Geschiedenis van het socialisme, dat zowaar online is:


De labadisten, aldus genoemd naar de Fransman Jean de Labadie, vormden in Nederland een communistische gemeenschap, die op Walta-slot te Wieuwerd in Friesland leefden. Onder hen is vooral het wondermens Anna Maria Schuurman beroemd geworden[noot]. Zij hadden in Suriname een gemeente gesticht en ook in de buurt van New York. In de bloeitijd waren er wel 400 personen op het Walta-slot, waar zij de landbouw beoefenden. Wie zich aan die gemeente verbond, had geen eigendom meer. Alle kleding en huisraad en geld werden door de herders in ontvangst genomen en wat overtollig was, werd verkocht en wat men gebruiken kon, bewaard. De vaste goederen werden meestentijds te gelde gemaakt. Elk gezin had zijn woning, groot of klein naargelang van de behoefte, maar de vertrekken moesten steeds toegankelijk zijn voor de zogenaamde opzieners. De kleding was zeer eenvoudig, daar men afkerig was van alle opschik. Leraars en de voornaamste zuster-bestuurderessen aten doorgaans aan één tafel met de als broeders ingeschreven leden van de gemeente. De overige huisgenoten nog in voorbereiding zaten aan verschillende tafels volgens leeftijd of bevordering. Er werden bepaalde regels gegeven hoe te eten en te drinken, hoe de lepel vast te houden en neer te leggen. Geen woord werd er bijna gesproken. Vele aanzittenden kenden elkaar ternauwernood of in het geheel niet. Soms at men maandenlang met elkaar aan dezelfde tafel zonder elkaars naam te kennen. Het gezelschap was zeer gemengd, daar men er Duitsers, Engelsen, Polen en Italianen aantrof. Aan de broeder dis was het gesprek vrij en daar werden na toespraak en gezang meermalen levendige en aangename gesprekken gevoerd.

Landbouw en veeteelt waren de hoofdbezigheden, maar zij beoefenden ook allerlei ambachten. Zo had men een eigen drukkerij, te Amsterdam een lettergieterij. De krimpvrije wol van de labadisten is beroemd geworden. Ook had men een bakkerij en brouwerij, een eigen korenmolen en een smederij, terwijl weefgetouwen voorradig waren voor wollen en linnen stoffen. Metselaars, timmerlieden, schoen- en kleermakers worden ook nog genoemd. Afkerig van alle weelde en pronk, als aanleiding gevende tot “begeerlijkheid, uitspattingen en ongeoorloofde vermaken”, zorgde men voor grote eenvoud. De bloeitijd van de Huisgemeente te Wieuwerd was 1680. Maar de zaken gingen niet goed, de gaven van de rijken vloeiden niet meer en men besloot de gemeenschap van goederen, die 20 jaar lang had bestaan, op te heffen. Men ging aan het verdelen, niet gelijk op, maar elk kreeg naarmate hij ingebracht had met een vierde korting, omdat er niet meer was. De meesten gingen de wereld in, maar er waren er die bleven en tot het jaar 1725 hebben de labadisten Walta-slot bewoond. Over het algemeen viel het oordeel, over hen geveld, zeer gunstig uit, zij waren stille, eerzame burgers, die met ijver hun aardse belangen behartigden, maar bovenal bedacht waren op het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid.

Anna Maria Schuurman, een zeer eigenaardige vrouw, Europa’s wonder, staat bekend als “de moeder der gemeente”. Met Labadie, Yvon en Hendrik van Deventer is haar naam het meest bekend onder de aanhangers van deze communistische broederschap.

Anna Maria (van) Schu(u)rman, de eerste officieel gestudeerde vrouw van de Republiek/Nederland, lid van de Labadistengemeenschap
Jean de Labadie stond als dominee in Genève en kwam op verzoek van Van Schuurman naar Nederland, te beginnen Middelburg in Zeeland. Blijkbaar was zijn op het oorspronkelijke christendom gebaseerde prediking zo subversief voor de heersende machten dat hij en degenen die van heinde en verre naar hem toe kwamen werden opgejaagd: via Veere, Herford bij Bremen, Altona in Holstein tenslotte naar Wieuwerd, op het landgoed van de familie Van Sommelsdijk, het Waltaslot.

De kolonie leeft in gemeenschap van goederen (die tenslotte beëindigd werd – een parallel met de Zwijndrechters) maar hiërarchisch geordend. Waarschijnlijk is het sorteren op uitverkiezing ook gebaseerd op het boek Handelingen, op hoe anarchistisch dit aandoet hoef ik niet in te gaan. Erger is dat de subkolonie in Suriname en in Noord-Amerika er al snel slaven op nahoudt, wat zogenaamd onvermijdelijk was. Ik weiger het als anachronistisch te zien om dit af te keuren. Quack, ook online, ziet de gemeenschap als inspiratie voor het heden:


Doch de gedachte der gemeenschap, binnen die muren en onder die boomen gekweekt, was onverdelgbaar. Die gedachte had dáár zich kunnen ontvouwen, was dáár een oogenblik, onder allerlei zeer gunstige omstandigheden, werkelijkheid geworden. Het was, wel is waar, de gemeenschap eener religieuse secte geweest, doch de mogelijkheid van zulk een leven – een tijd lang, onder zekere voorwaarden – was dan toch bewezen. De vraag kon nu slechts oprijzen, of niet een Nederlander der zeventiende eeuw – terwijl hij zich bewust was, dat hier en dáár in de kringen der religieuse secten gemeenschapsvormen soms verwerkelijkt werden – wellicht op het denkbeeld zoude kunnen komen. de gedachte der gemeenschap los te wikkelen uit den religieusen moederschoot, los te rukken uit de innigheid van het secte-verband, om haar een eigen zelfstandig leven te verzekeren, of ten minste in een of ander plan dit voor haar te eischen.

Merkwaardig te bedenken dat het Labadisme voortkomt uit onvrede over lauw zoniet geheel afwezig christendom – en dat in de zeventiende eeuw. Toch is het de tijd van de ontdekking van het individu, en over de afstand in tijd van drie, vier eeuwen vallen de geleerde en kunstzinnige vrouwen Maria Sibylla Merian en Anna Maria van Schuurman het meest op. Merians connectie met Suriname moet via de Van Sommelsdijken zijn gegaan, de eerste gouverneur van de kolonie was Labadist (nog een ongerijmdheid). Van Schuurman was een polyglot, zij beheerste Latijn, Grieks, Arabisch, Hebreeuws, Syrisch, Koptisch en Ethiopisch, naast het Hoogduits, Frans en Italiaans. Zij wordt het wonder van de eeuw genoemd.

Het Waltaslot is niet lang na het ontbinden van de gemeenschap gesloopt.

Tweede deel van een serie

1 gedachte over “Wieuwerd en de Labadisten (De dode korrel en de rijke vrucht – extra)”

  1. Pingback: Blaricum de ramp, maar daar blijft het niet bij – de dode korrel en de rijke vrucht deel 3 | Krapuul

Reacties zijn gesloten.