God: een olifant?

Er is een oud verhaal dat ik hier graag wil vertellen. Een klassieke parabel.

Er waren eens zes blinde mannen. Ze hadden gehoord dat er een olifant in de stad zou komen, maar hadden geen idee wat een olifant was. Dus ze besloten de olifant te gaan onderzoeken. De eerste blinde man liep op de olifant af, maar botste tegen de flank van de olifant. “Geen twijfel mogelijk!”, riep hij. “Een olifant is als een muur.” De tweede liep ook op de olifant af en kreeg het zacht bewegende oor te pakken. “Een olifant is als een grote waaier,” was zijn conclusie. De derde blinde bevoelde een poot en en knie en zei: “Een olifant, dat is als een boom.” De vierde man kwam bij één van de slagtanden te staan, nam deze in zijn handen en zei: “Zo hard en puntig; een olifant, dat is als een speer.” De vijfde blinde bevoelde de slurf en leidde daaruit af dat een olifant als een beweeglijke slang was. De zesde tenslotte, stond aan de achterkant van de olifant, kreeg een zwiep van de staart en zei: “Een olifant, dat is als touw.”

Het verhaal loopt trouwens niet goed af. Alle mannen vinden dat ze zelf gelijk hebben en verdenken de anderen ervan te liegen. Er komt ruzie, het wordt zelfs vechten en het zou me niet verbazen als ze ieder van hun eigen kant een heel leger verzamelen en er uiteindelijk oorlog uitbreekt. Een hoop mannen zetten hun Heilige Gelijk om in een oorlog…

De moraal van het verhaal is onmiskenbaar: vanuit een beperkte ervaring komen we tot een beperkte interpretatie van een groter geheel en in plaats van dat we er achter proberen te komen wat dat grote geheel dan is, houden we vast aan onze eigen ‘waarheid’ en negeren we de rest. Hebben die blinden trouwens allemaal ongelijk? Nee, dat wat ze zeggen is, hoewel op ‘t eerste gezicht onderling tegenstrijdig, allemaal de waarheid. Maar het is wel slechts een gedeelte van die waarheid.

De ideale oplossing voor het probleem in het verhaal, is als de mannen hun blindheid zouden kunnen afwerpen en zo het grotere plaatje zouden kunnen zien. Maar er staat niet voor niks ‘blind’ en niet ‘geblinddoekt’. Sommige grote plaatjes zijn nou eenmaal te groot en te onbevattelijk voor ons begrip.

Juist voor zo’n plaatje – te groot en onbevattelijk – sleep ik dit verhaal erbij. Laten we eens stellen dat de olifant staat voor verschillende visies op de dood. Wat is dat, dood en doodgaan?

Persoonlijke ideeën over de aard van de dood zijn onlosmakelijk verbonden met persoonlijke ideeën over spiritualiteit. Het kan zijn dat zo’n persoonlijk idee gebaseerd is op een ‘set’ vaste ideeën van een bepaalde religie (een Godsbeeld met een daarbij behorend beeld van de dood). Denk je maar in dat je vijf mensen hebt gevonden die allemaal de staart van de olifant bevoeld hebben en roepen dat een olifant als touw is. Hoewel mensen altijd denken dat iets een stuk ‘waarder’ is als veel mensen het roepen, gaat het dan nog steeds om een beperkte waarneming en interpretatie (en het doorvertellen daarvan) van iets wat nou eenmaal te groot, te onbekend en te onbevattelijk is om te zien.

Nou hoor ik al wat mensen roepen, eh, hoho, mijn idee over de dood is dat het gewoon einde verhaal is en ik ben hartstikke atheïst, dus niks spiritualiteit. Sorry, ook dát is gewoon een idee binnen het spectrum van spiritualiteit.

Ik zie dat spectrum trouwens niet als een lineair iets. Want wie zou dan bepalen wat er aan het ene einde van het spectrum zit en wat aan het andere? Wat zou dan de ‘volgorde’ tussen die uiteinden zijn? Ik zie het liever als een bord met heel veel klodders verf, waarbij de kleuren op sommige plekken flink in elkaar overlopen.

De reden dat ik de olifant wil gebruiken als symbool voor verschillende ideeën over de dood en een invulling van spiritualiteit en religie, is omdat ik af en toe mailtjes krijg van mensen die mijn blogs van de laatste tijd lezen. De scheut bouddhisme over mijn schrijfsels is ze niet ontgaan en vanuit een christelijke identiteit maken ze zich dan zorgen over mijn zieleheil. Sommige mailtjes zijn subtiel – dan krijg ik een bemoedigende Bijbeltekst of een christelijk gedichtje. Andere mails zijn explicieter: gaat dit wel goed komen? Loop ik niet op een kloof af? Met andere woorden: kom ik straks niet in de hel?

Wat ik lastig vind aan zulke mails is deels de inhoud: ik ben wel een groot voorstander van perspectiefverbreding (mij een ander perspectief aanreiken is altijd welkom!), maar ik ervaar het als minder prettig als mijn perspectief als onwaar of minderwaardig van de tafel geveegd wordt. Want dan lijkt het op de mannen in het verhaal hierboven, die zo gebrand zijn op hun eigen gelijk, dat gelijk als enige waarheid willen zien en anderen hun eigen gelijk willen opleggen. De olifant is als touw, en niks anders.

Het tweede gedeelte wat ik lastig vind in die mails is de vorm; het taalgebruik is niet eerlijk. “Open je hart voor Jezus” klinkt heel lief, aardig en positief, maar de onderliggende boodschap is gewoon “Word christen en laat je bouddhistische overtuiging los”, wat al een stuk dwingender is. Mag je tegen me zeggen als je dat wil, maar zeg dat dan gewoon zoals het is, niet verpakt in bloemetjes met een strik eromheen.

Die aspecten vind ik lastig, maar laat ik één ding duidelijk stellen: de mailtjes zelf vind ik niet storend, omdat ik me heel goed bewust ben van de intentie eronder. De bezorgdheid die er uit spreekt, komt voort uit oprechte vriendschap en de wens voor het beste voor iemand die je dierbaar is. Dus dat is het probleem echt niet.

Ik krijg dat soort mails trouwens alleen van mensen met een christelijke achtergrond. Dat zegt helemaal niks over de mate van bekeringsdrang van mensen met een moslim- of andere achtergrond. Het zegt alleen maar iets heel vervelends (en waars) over de witheid van mijn netwerk 🙁

Ik heb mezelf lange tijd het labeltje ‘atheïstische bouddhiste’ opgeplakt. En hoewel ik wel degelijk een overtuiging heb van ‘iets groters’ (een vermoeden van de olifant) weigerde ik pertinent om daar het woord God voor te gebruiken, omdat het voor mij gelijk staat aan de olifant ‘touw’ noemen en ik vind dat dat geen recht doet aan het grote plaatje. Bovendien is het woord God in de loop van de eeuwen veel meer geworden dan alleen een woord om een concept aan te duiden: het heeft zich niet alleen onlosmakelijk verbonden met dogma’s, maar ook met alle kwalijke zaken die in de naam van die God zijn gebeurd (in heel veel mono- en pluritheïstische religies!). Een besmet woord dus.

Inmiddels is die aversie wat minder. Als ik denk dat het in een conversatie helpt om wat makkelijker met de ander op één golflengte te zitten, dan vind ik het niet meer zo bezwaarlijk om het te gebruiken (sterker nog, op de bruiloft van mijn dochter laatst heb ik zelfs voor de maaltijd een dankgebed uitgesproken – wie had dat ooit gedacht, haha).

De reden dat ik over mijn aversie heen kon stappen, is de olifant zelf. Het zal de olifant zelf haar reet roesten of we nu touw, muur, boom of waaier tegen haar zeggen. Zelfs als we olifant tegen haar zeggen zal haar dat een rotzorg zijn. De olifant is gewoon, ongeacht welk woord we voor haar gebruiken.

Ik ben er honderd procent zeker van dat olifanten zelf een idee hebben van het concept ‘olifant’. Gezien hun complexe communicatie, hebben ze waarschijnlijk zelfs iets voor zichzelf wat wij als ‘woord’ zouden bestempelen. Maar ik weet ook honderd procent zeker dat dat woord in de verste verte niet als /olifant/ klinkt. Dus of we nu touw, speer, muur of olifant zeggen: het is totaal irrelevant. Het doet aan het wezen van de olifant niks af en heeft voor de olifant ook totaal geen toegevoegde waarde.

Van daaruit vind ik het tegenwoordig wat minder lastig om het woord God te gebruiken. Kijk, ik kan het zelfs met een hoofdletter schrijven. Wat ik nog wel zoveel mogelijk boycot, zijn alle verwijzingen naar een verondersteld mannelijk karakter van God – woorden zoals de Heer en de Vader. Maar dat heeft met een grondige afwijzing van het patriarchaat te maken.

Terug naar het spectrum van verschillende ideeën over de dood. Hoe ziet mijn klodder verf er uit op dat bord vol in elkaar overlopende kleuren? Hoe zie ik de dood? En het leven?

Dan begin ik maar eens met dat verhaal over de blinde mannen en de olifant door elkaar te schudden. Als je de olifant symbool ziet voor een godsbeeld, een groter geheel, een onderliggende laag of hoe je het ook wil noemen, en de mensen als wezens, dan is er in mijn optiek namelijk helemaal geen verschil tussen de mensen en de olifant. Ze maken deel uit van hetzelfde en het onderscheid wat wij – verblind door de broehaha van ons aards bestaan – maken tussen die verschillende entiteiten is een illusie. Datzelfde geldt voor toestanden van leven en dood, wat mij betreft. Het onderscheid is kunstmatig.

Oké, nu ga ik het echt ingewikkeld maken. Het onderscheid tussen leven en dood is (en ik praat nog steeds alleen maar over de ‘waarheid’ van mijn klodder verf!) is illusoir èn tegelijkertijd onweerlegbaar bestaand. Mijn kinderen waar ik van hou zijn hartstikke echt, mijn knieën doen zeer, de pannetton die ik gekregen heb smaakt superlekker: allemaal dingen waaruit ik kan afleiden dat dit aards bestaan echt is.

Dit vraagt om wat meer uitleg, misschien. En daar ga ik een ander beeld bij gebruiken dan dat van olifanten en klodders verf, sorry als het daarmee wat warrig wordt. Laat ik er een mailtje bij pakken waarin ik geprobeerd heb om mijn ideeën over toestanden van leven en dood onder woorden te brengen.

In mijn visie is mijn ik, mijn identiteit, een ‘tijdelijke constellatie van bewustzijn’. Je zou het kunnen zien als een golf op een oceaan: een golf komt op, heeft een tijdje een vorm en verdwijnt dan weer. En dan ontstaat er ergens anders weer een nieuwe golf, met een nieuwe tijdelijke constellatie. Wat ‘maakt’ dan de golf, wat is de essentie? Zoals ik het voel, zijn dat niet de ‘deeltjes’ van de golf: niet de waterdruppels. Als het deeltjes van de golf zouden zijn, dan zou je kunnen denken dat er één deeltje mijn ‘ziel’ zou zijn en dat die ziel dan in een andere golf zou kunnen komen. Maar daar geloof ik zelf niet zo in.
In mijn gevoel gaat het niet om deeltjes, maar om de beweging die ontstaat. In dat patroon van beweging, dáár ontstaat een tijdelijk bewustzijn, een ‘ik’, een identiteit – een Dhjana in dit leven wat nu ten einde loopt. Die zich tijdens haar golf-vorm bezig houdt met al die dingetjes van het dagelijks leven. Dan vervaagt de golf, de ‘ik’ houdt op met bestaan, en ergens verderop en/of even later, ontstaat er een nieuwe golf. In de beweging van een nieuwe rijzende golf ontstaat een nieuw bewustzijn, een nieuwe identiteit.
En die deeltjes/waterdruppels dan? Die geven wat mij betreft aan dat wij – of we nu in een staat van tijdelijk bewustzijn (leven) verkeren of in een staat die wij binnen ons menselijk perspectief als dood zouden benoemen (even geen deel uitmakend van een golfbeweging), eigenlijk al die tijd deel zijn van hetzelfde (net zoals je een golf niet los kan zien van een oceaan). En dat ‘hetzelfde’ zou dan een oneindig veld van liefde-energie zijn. Als we in golfvorm zijn, dan raken we een beetje het zicht kwijt op het deel zijn van dat liefde-energie veld, opgeslokt (en een beetje kippig) als we worden door de beslommeringen van een tijdelijk aards bestaan.
Het is één van de basic principes van het bouddhisme: alles is aan veranderingen onderhevig (de bewegingen van de golven) maar in die veranderingen is continuïteit (de oceaan met al haar cyclische patronen van beweging).

Over de echtheid van het bestaan, die tegelijk is met de illusie van het bestaan:

Ik ga niet doen alsof dit hele proces alleen maar een ‘verheven bouddhistisch loslaten’ is: natuurlijk zijn er ook momenten van rauwe pijn. Vooral over het verdriet van het moeten loslaten van de kinderen en kleinkinderen (maar ook zoveel andere mensen) en het besef dat, als mijn golf vervaagd is, ik als Dhjana waarschijnlijk geen verdriet of gemis zal voelen, maar zij die achterblijven wel. Dat doet pijn, daar kan ik om huilen. Maar ik heb gemerkt dat dat óók bij het hele proces hoort, dat ik de momenten van pijn kan hebben, dat ik er uiteindelijk, ook als ik er even door overspoeld word, weer uit kom, nog steeds adem, nog steeds de schoonheid van het leven, de aarde, de mensen kan voelen.

In het gedeelte van mijn visie dat ik hierboven beschrijf, missen nog een aantal typisch (en meer klassieke) bouddhistische elementen: reïncarnatie, het zoeken naar verlichting, het doel van het zoeken naar verlichting. Dat zit allemaal wel in mijn ideeën over de dood, maar dat ga ik een keer in een ander blog onder woorden proberen te brengen.

Ben je er nog, lezer?

Want eigenlijk ben ik wel nieuwsgierig naar hoe andere klodders verf er uit zien. Dus ik ga het gewoon vragen. Wat is dat voor jou, de dood? Einde verhaal, de hemel of iets heel anders? Wat denk jij dat er gebeurt als je doodgaat? Ben je er bang voor?

Mail maar, ik ben benieuwd wat er allemaal aan respons gaat komen.

Als je m’n mailadres niet hebt – ik ga het even niet hier klabats neerzetten – vraag het dan even aan iemand van wie je vermoedt dat die het wel heeft. (‘Mail maar’ is trouwens wel een beetje een risky ding om te zeggen. Want ik was ook wel blij dat ik niet meer vier uur per dag bezig was om mails te beantwoorden. Als er heel veel respons op m’n vraag komt, dan zou het dus kunnen zijn dat er geen reply komt. Maar dan heb ik je mail wel gelezen.)

Afsluitertje, dat ik ergens gejat heb.

Er waren eens zes blinde olifanten die hadden gehoord dat er een ‘mens’ zou komen, maar geen idee hadden wat een mens was. Ze besloten de mens te onderzoeken. De eerste olifant bevoelde de mens en zei: “De mens is plat”. De andere olifanten bevoelden de mens ook en kwamen tot dezelfde conclusie.