Een herinnering aan David Graeber

Op 2 september 2020 overleed David Graeber. Een zwaar verlies voor de kritische, linkse beweging op zoek naar alternatieven voor het kapitalisme. David was een antropoloog en filosoof op zoek naar meer menselijkheid. Hij presenteerde zich als anarchist. Dat was meer een uitdrukking van zijn niet aflatende kritische houding dan dat het anarchisme echt richting gaf aan zijn denken. In dit vijfde deel van deze serie over ‘accumulatie en groei’ alle reden voor de al aangekondigde bijdrage van David aan de problematische, niet aflatende groei van het politieke economische systeem van het kapitalisme.

Het betreft een vertaling van het derde hoofdstuk van zijn boek.1 Het hoofdstuk is 41 pagina’s groot, ik beperk me tot de samenvattende conclusie en met in cursief enkele opmerkingen. David Graeber was een inspiratiebron voor me.
Hij begon met de volgende vragen: wat als iemand zou proberen een waardetheorie te ontwikkelen vanuit de aanname dat wat uiteindelijk geëvalueerd wordt niet dingen zijn maar acties en hoe een bredere sociale theorie eruit zou zien die uitgaat van deze aanname.

Over gehelen gesproken

De lezer(es) zou dit gepraat over gehelen (‘totalities’) een beetje vreemd kunnen vinden. Ik begon met de ondersteuning van een algemene beweging die verwijderd is van de claims van absolute of totale waarheid, een aanvaarding van de gedachte dat menselijke kennis altijd incompleet zal zijn. Oftewel, ik stel dat iemand niet een betekenisvolle benadering van waarde kan hebben zonder een besef van het geheel. Ik moet toegeven dat ik me niet geheel comfortabel voel, maar het is een vraagstuk dat een opening biedt aan de belangrijkste vragen over vrijheid, politiek en betekenis.

Allereerst is er een verschil tussen ‘gehelen’, waarvan een analist claimt dat ze bestaan in een empirische betekenis, bijvoorbeeld: een zuivere tekst, een duidelijk afgebakende samenleving, en de gehelen die bestaan in onze verbeelding. Daarbij heeft de sociale wetenschap zich gerealiseerd dat deze absolute gehelen niet echt bestaan, tenminste niet in een zuivere vorm. Elk gesloten systeem is een constructie, zij het niet noodzakelijk een bruikbare. Niets in het echte leven is vaststaand.
Sociale processen zijn complex en overlappen elkaar op een oneindig gevarieerde manier. Maar aan de ander kant, als er één ding is waarover overeenstemming is, dan is voor mensen een ‘betekenis’ een kwestie van vergelijken. Gedeelten van gehelen krijgen hun betekenis in relatie tot elkaar, een proces dat altijd verbonden is aan een soort geheel. Dat geldt ook voor het begrip waarde. De realisatie van waarde is noodzakelijk altijd een proces van vergelijken.
Deze gedachte vergt enige geestelijke lenigheid. Mensen zijn vaak op zoek naar zekerheid, een brood kost 1,50 euro, mondkapjes zijn nodig om het virus tegen te houden, en een vergadering via videoverbinding is niet werkbaar. De ervaring en onderlinge interactie kunnen ertoe leiden dat mensen veranderen, hun zekerheden gaan loslaten.

Inbeelding, verbeelding

Voor Marx is het onze inbeelding die ons tot mensen maakt. Dus productie en revolutie zijn voor hem twee essentiële menselijke handelingen. Inbeelding of verbeelding impliceert de mogelijkheid voor het anders zien van dingen. Dus, wanneer we kijken naar de bestaande wereld op een manier van verbeelding, dan kijken we er noodzakelijk kritisch naar. Wanneer we proberen om een ingebeelde samenleving te maken, dan zijn we verbonden aan een revolutie. Uiteraard zijn de meeste historische veranderingen niet zo bewust. Het is een feit dat mensen voor het grootste deel niet zelfbewust proberen om hun eigen samenlevingen te reproduceren. Zij volgen eenvoudig waarden die het voor hen gemakkelijk maken om dergelijke samenlevingen te veranderen. In tijden van crisis echter kan dit anders gaan, een sociale orde kan gezien worden als een arena waarin bepaalde typen van waarden geproduceerd kunnen worden en gerealiseerd. Ze kunnen verdedigd worden of uitgedaagd door mensen die denken dat dit niet de waarden zijn die ze het liefst willen volgen.

In elke bestaande sociale situatie is het aannemelijk dat een aantal van die verbeeldingen van een geheel, een rol spelen en georganiseerd zijn rond verschillende opvattingen over waarden. Hoe het allemaal in elkaar past, of niet, kan niet voorspeld worden. Eén ding is zeker, ze zullen nooit perfect in elkaar passen.
Het is nog iets complexer, vind ik, dan dat David dit formuleert. Bijvoorbeeld de verbeelding van een corona vrije wereld is niet alleen een kwestie van de gehele gezondheidszorg, van de economie of de cultuur van een samenleving, van de geografische ligging of de demografische samenstelling. Al deze aspecten kunnen ook in tijd en plaats veranderen, al of niet door maatregelen. En die maatregelen hebben weer effect op de verschillende aspecten. De verplichting van mondkapjes in de trein en niet in het vliegtuig, brengt om economische redenen veel heisa met zich mee. Er ontstaat niet alleen de verbeelding van een coronavrije wereld door aanpassing van gedrag, maar ook een sfeer van viruswaanzin.

Vaststelling van waarde

We zijn terug bij een ‘politiek van waarde’, maar die verschilt erg van de neoliberale versie. De uiteindelijke inzet van beleid is niet de strijd om waarde toe te eigenen; het is de strijd om vast te stellen wat waarde is. In het verlengde daarvan: de ultieme vrijheid is niet de vrijheid om waarde te scheppen of te accumuleren, maar de vrijheid om te beslissen (collectief of individueel) wat het is dat het leven de moeite waard maakt om te leven. Ten slotte gaat politiek over de betekenis van het leven. Dit geldt zelfs voor een project dat nooit omgezet kan worden in de realiteit die overigens per definitie gecompliceerde is dan elke constructie die we ervan kunnen maken.
Dit is ingewikkeld, een voorbeeld: we willen een corona vrije wereld. Dat lukt alleen wanneer we ook een beter klimaat nastreven, discriminatie bestrijden, de natuur zijn gang laten gaan, de welvaart gelijker verdelen, en anders gaan produceren. Oplossingen voor crises vergen een totale aanpak, een revolutie.

Het is duidelijk voor de meeste mensen, als we terugkijken naar de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, dat het niet de dageraad was van een postmodern tijdperk. Inderdaad velen vinden het ondertussen een beetje beschamend, om maar te zwijgen over hun catastrofale verklaringen. Het is het tijdperk geworden van de triomf van de Wereldmarkt, waarin de meest gigantische, totaliserende en het alles omvattende universele systeem van ontwikkeling in de menselijke geschiedenis toegepast werd op bijna alles. Als niets anders maakt dit systeem het gemakkelijk te begrijpen waarom economie één van de dingen was waarover economen niets te vertellen hadden. De neoliberale aannames zijn allemaal duidelijk te zien. Achter de verbeelding van het meeste postmodernisme is echt niets anders te zien dan de ideologie van de markt, zelfs niet de realiteit van de markt zelf. Slechts te zien is wat marktideologen ons voorspiegelen over hoe een ingebeelde markt zou moeten werken.
David generaliseert terecht. Wel wordt daarmee een veranderperspectief bemoeilijkt. Het idee van ‘totaliteit van gehelen’ is zeer noodzakelijk, zeker voor revolutionairen. Dat is wat een revolutie uitermate moeilijk maakt om beweging en strijd voor verandering in gang te zetten.

Vrijheid

Dit is allemaal niet om te stoken naar sommige zelf uitgeroepen radicale academici, maar om een breder vraagstuk aan te snijden. Namelijk het besef van vrijheid benadrukken, of het nu meer een individualistisch beeld is van creatieve consumptie of het besef van vrije culturele creativiteit.

Ik heb geprobeerd om verder te komen, zowel via vragen als verzet tegen het opleggen van een totaal beeld van wat een samenleving of een waarde moet zijn, maar ook door de erkenning dat er enige vorm van regelgeving moet zijn. Het vraagt daarom serieus denkwerk wat mensen het beste kan dienen om waarden, in de vorm die ze wensen, vrij op te vatten. Als mensen dat niet doen, zeker in de tegenwoordige tijd, dan wordt eenvoudigweg de logica van de markt gereproduceerd zonder de waarde ervan te onderkennen. Eveneens dienen we serieus te denken over alternatieven voor de versie van vrijheid die tegenwoordig aan ons gepresenteerd wordt, waarin natiestaten primair dienen als beschermers van eigendommen van bedrijven. Dat is ook aan de orde, wanneer ongekozen internationale instituties een ongebreidelde vrije markt reguleren, waarin de belangen van financiers gediend worden en de persoonlijke vrijheid beperkt wordt tot keuzes voor persoonlijke consumptie. Ja, dan kunnen we beter stoppen met te denken dat deze zaken voor zichzelf gaan zorgen en zwijgen over wat meer levensvatbare en hoopgevende, minder dwangmatige regelende mechanisme zouden kunnen zijn.
De kwestie van stoppen speelt niet. De mens wordt gedwongen te blijven denken hoe het anders met produceren en reproduceren moet. De mens wordt gedwongen zijn eigen kracht, door Marx vindingrijkheid genoemd, te exploiteren. Dat zal verandering teweegbrengen.
En daarmee is in het project ‘groei en accumulatie de kwestie van de productie van waarde afgerond en zal in het vervolg van deze serie de reproductie aan bod komen.

1 David Graeber, Toward an Anthropological Theory of Value, the false coin of our own dreams, hoofdstuk 3: Value as the importance of actions, New York, Palgrave, 2001.

– door Sjarrel Massop, oorspronkelijk verschenen bij Solidariteit