Meer dan drie-akkoorden gitaar du jour: John Scofield

Geleidelijk raakte ik eind jaren tachtig in de fusion verzeild. Jazz heeft me, op wat uitzonderingen na, nooit echt kunnen bekoren, en na verloop van tijd kwam ik erachter dat dit deels te maken had met het geluid van de ritmesectie.

De bas in de jazz is meestal een akoestische contrabas. Zeker op oude opnames komt die niet tot zijn recht. Op modernere opnames hoor je beter wat zo’n bas doet, maar ook bij oudere live optredens moet het nauwelijks hoorbaar zijn geweest, op wat elementair lage frekwenties na. In de fusion hoorde je daarentegen meestal de veel duidelijker gedefinieerde elektrische bas. Maar ik moet zeggen dat ik tegenwoordig een met moderne middelen goed opgenomen contrabas ook kan waarderen.

In de jazz zit het ritme van de drums op de bekkens, met name het ride bekken, en de accenten worden op de trommels gegeven. In de rock is het precies andersom, het ritme zit op de bas- en snare drum, en de accenten op de bekkens. En ja, qua geluid heb ik een voorkeur voor dat laatste. Maar ik hou wèl van de creativiteit van ritmes in jazz, en ook van de harmonieën en melodieën, tot op een zeker punt. Vandaar dat fusion, ook wel jazz-rock genaamd, een muzieksoort was die wel wat voor mij te bieden had. Het toont tevens aan dat muziekstijlen voornamelijk door het ritme bepaald worden. En dat zeg ik, als melodie- en akkoordenman.

Eén van de gitaristen die ik ontdekte (nou ja, ondekte; het was een gitarist die iemand, ik geloof mijn lagere schoolvriend die toen al docent was op een conservatorium, me aangeraden had), die iets anders deed dan gewoon jazz spelen met een wat ander geluid was John Scofield.

Eén van de dingen die me aan vooral na-oorlogse jazz hinderde was het gebrek aan arrangement. De bebop had het concept van themaatje spelen, elk bandlid een solootje en dan weer emotieloos het themaatje spelen geïntroduceerd. Dat heeft me nooit wat gezegd. De swing uit de jaren dertig, met big bands als die van Duke Ellington vond ik dan veel mooier.

Maar in de fusion waren er ook muzikanten die iets van een arrangement terugbrachten in de jazz, en John Scofield was daar een van, eind jaren tachtig. Ook had hij een intensiteit in zijn geluid die je niet vaak hoorde bij jazzgitaristen, die meestal weliswaar warme, maar erg vlak klinkende noten produceerden. Dan was de hoekige, onorthodoxe stijl van Scofield wel wat anders, met zijn enigszins vervormde toon, met dat typische jaren tachtig choruseffect, en rare maar zeer goed geplaatste dissonanten op zijn semi-akoestische Ibanez Artist.

Genoeg gepraat, hieronder enige voorbeelden:

Techno, een archetypisch, hoekig Scofield nummer, van het eerste album (Still Warm) dat ik van hem hoorde:

https://www.youtube.com/watch?v=4uxrqrbTQX0

 

Trim, prachtige modulaties en geweldige drumpartijen van Dennis Chambers op drums. Als ik naar een band luister, luister ik na de gitarist altijd eerst naar de drummer. Als de drummer kut is, is de hele band namelijk kut. Maar ook hou ik echt zoveel van goede drummers; goeie drummers duwen je vooruit, je speelt ineens dingen waarvan je niet wist dat je ze kon spelen:




The Nag, een van die nummer waarvan je je afvraagt hoe je het ritmisch in godsnaam voor elkaar krijgt, van hetzelfde album ‘Blue Matter’, met waarschijnlijk weer de geweldige Dennis Chambers op drums (dit is een live-uitvoering, ben niet zeker van de bezetting, juist hier krijg je dus eindeloze solo’s, die ik niet wil, maar kan de studioversie niet vinden. maar het begin is naadloos de studioversie)

https://www.youtube.com/watch?v=oVrWy8BLyyc